Geschiedenis mambo

De geschiedenis van de Mambo:
dansmuziek uit Havana en New York 1930-1950

Voor de meeste mensen is de geschiedenis van de Mambo een soort eenrichtingsverkeer van Cubaanse muziek en musici van Havana naar New York, in werkelijkheid is het een zich uitbreidende cirkel (met Mexico City en Lima) tussen beide steden.

Tussen 1930 en 1950 is er tussen Havana en New York sprake van een toenemende uitwisseling tussen muziek, musici en muziekstijlen (rumba, son, danzón) die in grote mate bijgedragen hebben aan de verspreiding en populariteit van de mambo en de cha-cha-cha.

We zullen in de volgende pagina’s de grote lijnen van deze uitwisseling tussen Havana en New York in de periode 1930 -1950 schetsen, uitmondend in een grote populariteit van de Cubaanse muziek in Noord Amerika en dan met name de mambo en de cha-cha-cha

De Roots

De uitwisseling van muziek tussen Cuba en de VS begint al vroeg in de 19 eeuw en wel tussen 2 belangrijke havens namelijk Havana en New Orleans, waardoor Cubaanse musici hebben bijgedragen aan het ontstaan van de vroege Jazz.

Zo bracht de componist en pianist Louis Moreau Gottschalk tussen 1850 en 1870 regelmatig een bezoek aan Havana van waaruit hij de contradanza habanera en de danzón, onder bege- leiding van Franse kamerensembles gedanst in de salons van de Creoolse burgerij, meebracht naar New Orleans, waarvan de baslijnen, het tango-congo ritme of habanera-ritme terug te vinden zijn in de vroege jazz.

De ‘tangobas’ is terug te vinden in de piano ragtime van Scott Joplin, in de blues van W.C. Handy en in de pianostijl van Jelly Roll Morton die met de linkerhand een vereenvoudigd tango congo ritme of habanera-ritme speelt, een Cubaanse tumbao speelt, en met zijn rechter- hand improviseert. Al snel beïnvloedt deze vroege Jazz de muzikale ontwikkeling in Cuba, met name in Havana, door rondtrekkende muzikanten en muziekorkesten uit New Orleans.

Echter voordat we iets kunnen zeggen over de groei en populariteit van de Cubaanse muziek, tussen Havana en New York, moeten we aandacht besteden aan de Cubaanse son, de rumba en de danzón, Cubaanse voorlopers van de muziekstijlen die in de VS populair werden in de jaren 30, 40 en 50, de mambo en de cha-cha-cha.

Son

De stedelijke son, de son habanero, heeft als Afrocubaanse muziekvorm, zijn oorsprong zowel in de son muziek uit het Oosten van Cuba (trova, changuí, bunga) als in de son uit Matanzas (guateque, chivo).
 

Ten gevolge van de Spaans-Cubaanse bevrijdingsoorlogen in het Oosten van Cuba gedurende de 2e helft van de 19e eeuw, trekken eind 19 eeuw, begin 20e eeuw vele muzikanten vanuit het Oosten van Cuba naar Havana.

In de straten van Havana verschijnen trovadores (Maria Teresa Vera, M. Matamoros), duo’s en trio’s ( Trio Matamoros) en son ensembles zoals de changuí- of bunga orientales; dit zijn son sextetten uit het Oosten van Cuba.

De eerste stedelijke sextetten als Sexteto Habanero en Nacional verschillen in samenstelling niet van de changuí-of bunga-ensembles uit het Oosten van Cuba. Deze bestaan uit claves, bongó, maracas, gitaar of banduria, tres en een marimbula of bunga . In het Oosten van Cuba werden deze orkesten ingezet tijdens het spelen van plattelandsfeesten of cumbanchas .

Dansen die op deze plattelandsfeesten of parrandas bij de campesinos of guajiros populair waren zijn El Zumbantonio, El Gavilán, La Caringa en El Zapateo Deze dansen uitgevoerd op son-ritmes werden rumba’s campesinas of rumbitas genoemd.

De landelijke son als liedvorm had een open vorm en eenvoudig schema bestaande uit een herhalende tekst of refrein van verzen die op een antifonale wijze, door voorzanger en koor, werden gezongen, het estribillo of montuno.

In de stad ondergaat de son nogal wat veranderingen. Allereerst verandert haar bezetting waar de bunga of marimbula vervangen wordt door de contrabas en trompet, zo ontstaat het septeto met misschien wel het bekendste, Septeto Nacional van Ignacio Pineiro.

Pineiro , een rumbero uit Havana, brengt nogal wat veranderingen aan in de liedvorm van de son. De open vorm, en daarmee de lengte, wordt beperkt, de basisstructuur verandert en kent een structuur bestaande uit 2 delen die hetzelfde zijn als bij de rumba guaguanco.

De eerste sectie, het estribillo, bevat de door de voorzanger gezongen 4 of 10 relige verzen (copla/decima) van het lied, de tweede sectie, het montuno bevat de wisselzang van vraag en antwoord tussen voorzanger en koor, waarbij de sonero zijn melodische lijn en woorden improviseert en het koor het refrein zingt, dit heeft een open vorm.

Ignacio Pineiro, als componist en arrangeur, is tevens verantwoordelijk voor het tot stand brengen van nogal wat mengvormen als de guaguanco-son, bolero-son en de guajira-son (1928)
 

Er breekt in Havana een nieuwe periode aan met de komst van muzikanten uit Matanzas als de treseros Isaac Oviedo en Arsenio Rodriguez. Arsenio werd geboren in Matanzas, in een rumba-milieu en speelde naast rumba, son in diverse stijlen, zoals de guateque en de chivo, een weinig bekende son montuno-stijl uit Matanzas.

Hij zorgde voor een revolutie in de son, met deze muzikale revolutie bereidde hij de verdere ontwikkeling van de mambo en chachacha voor. Een onderdeel van deze revolutie was het veranderen van de samenstelling van het orkest, het septeto zoals we dat kennen van Ignacio Pineiro.

Hij breidt het septeto uit met een piano, een conga en tumbadora, voorziet de bongosero van een koebel en breidt de blazersectie uit met 3 of 4 trompetten. Hij schiep hiermede het son- conjunto, geïnspireerd door de rumba en de vroegere processies , die in hedendaagse Cuba comparsa worden genoemd.

Zijn revolutie krijgt verder vorm als hij terug grijpt op de klassieke religie van Congo zoals gepraktiseerd in Cuba. Hij kreeg namelijk het cultureel briljante idee om een van de belang- rijkste woorden uit deze religie, mambo, te introduceren in de danslokalen.

Voor wat er gebeurde laten we een belangrijke onderzoeker van de mambo, Robert Farris Thompson aan het woord: “Arsenio had waargenomen hoe lokale aanhangers van de tradi- tionele Congo-religie, de macht van god en de krachten van de heiligen met hun speciale altaarliederen, mambo’s genoemd, opriepen. Mambo is dan ook een woord over woorden. In het bozal betekent mambo dan ook “belangrijk gesprek of conversatie”

Arsenio vermoedde dat als het zingen van mambo’s in de Congo-religie al zo’n sterke reactie veroorzaakte dat dan het zingen van mambo’s,vanaf een podium eveneens een levendige en sterke dansreactie teweeg zou brengen. Dit is exact wat er gebeurde, allereerst op het muziekpodium (de bandstand) bij de leden van het conjunto.

Vanuit deze visie veranderde hij de opbouw van de son montuno ingrijpend, die hij uitbouw- de met diverse secties: Introductie, canto, montuno, solo (tres of piano), break en last but not least het diablo of mambo.

In de introductie speelde hijzelf tres en liet hij de trompetten korte ritmische zinnen, mambo-riffs uit de copla’s blazen, in het canto liet hij de voorzanger op dezelfde zinnen improviseren, beantwoord door een andere zanger of koor. In het montuno speelde de pianist, de guajeo’s en arpeggio’s van de tres en kon Arsenio improviseren op zijn tres.

Zijn grootste vernieuwing van de son is te vinden in het gedeelte dat hij diablo of mambo noemde, in dit gedeelte speelde hijzelf het guajeo van de tresspelers uit de Oriente, het palo mambo, zong de voorzanger mambo! mambo! mambo! mambo! bliezen de trompettisten dezelfde mambo-riffs op trompet, de bassist op zijn bas en de pianist op zijn piano in dialoog met de ritmesectie en met name door de conga’s gespeelde tumbaos.
 

Een van de eerste diablos of mambo’s die hij op deze wijze componeerde was Yo soy Kanga (1931) en de eerste op de plaat was So, Caballo (1946), echter voor die tijd was hij al reeds met zijn conjunto op de radio Mil Diez te horen.

Zijn conjunto Todo Estrellas sloeg in heel Cuba in als een bom, en binnen de kortste keren werden er allerlei conjuntos gevormd, zoals Casino, Sonora Matancera, Caney, Riverside, Kubavana, Matamoros en Azul die allemaal voor verschillende radiostations optraden.

Velen van deze conjuntos maakten in de jaren 40, plaatopnames in studio’s in New York, waren in films te bewonderen en traden op in hotels, cabarets en clubs in heel Latijns Amerika waar ze de Son (in montuno stijl met veel diablos of mambos) verspreidden.

Vele Cubaanse muzikanten die later in New York, in de jaren 50, het mambo tijdperk, roem zullen vergaren, zoals Armando Peraza (Kubavana) , Patato Valdes (Kubavana), Celia Cruz (Sonora Matancera), Chano Pozo (Azul) en Felix Chapottin (Azul) maakten van deze conjun- to’s onderdeel uit.

 
In Zuid Spanje werden in de 16 en 17eeuw door de Afrikanen tijdens de christelijke feestdagen, feesten of processies gehouden, Tangos genoemd, tijdens welke door de Afrikaanse koning en koningin quadrilles /cuardos werden gedanst onder begeleiding van het tango-congo ritme, men spreekt dan van Spaanse contradanza. Deze Tangos Congos werden ook in Cuba, Havana gehouden en gedanst onder begeleiding van geestelijke liederen of mambos. De betekenis van het woord mambo is dan ook ‘conversatie met de goden’. In dit geval katholieke heiligen.
De bunga is een aardepot half gevuld met water, met een opening aan de zijkant die dienst doet als bastrompet of als bastrom. De marimbula is een hand-/duimpiano met een grote houten kist (cajon), die als trom dienst doet.
Cumbancha (feest, dans) is afgeleid van cumbé en paracumbé, 2 oude traditionele rumba’s uit de Spaanse
Gouden eeuw die door Afrikanen in de theaters van Sevilla werden gedanst en gezongen en door de kolonisten uit Andalusië (moren, joden, zigeuners en afrikanen) meegenomen werden naar Cuba.
Deze rumbitas werden ondersteund door bandurria (een luid), tiple (kleine luid) en gitaar die later opgingen in de Tres. Rumbitas zijn gitaar- of flamenco-rumba’s de cajon, de begeleidende liederen werden sones genoemd.
F. Ortiz geeft aan dat de basisstructuur van de son, zoals wisselzang tussen voorzanger en het koor dat het refrein of montuno zingt terug te vinden is in alle Afrocubaanse religieuze liederen en R. Guirao wijst op 18e
eeuwse processies, de Tangos Congos, in het Oosten van Cuba waar deze religieuze liederen of mambos met wisselzang tussen voorzanger die verzen en het koor dat het montuno zingt, ten gehore werden gebracht.
Pineiro laat zich door 3 genres inspireren, de rumba, de traditionele son montuno en door de guajira. Dit laatste genre wordt aangeduid met punto guajira, de punto kent de copla en de decima-espinela, een muziekstijl van de Cubaanse campesinos die teruggaat op de oude Afro-Spaanse troubadours en flamencotradities in Spanje.
Arsenio greep voor het vernieuwen van de son terug op de Afrikaanse processies, de Tangos Congos, die in het 17e eeuwse Spanje en Havana, in het 18e eeuwse Santiago de Cuba en in het 19e eeuwse Matanzas, bekend waren
De son montuno of Afro-Spaanse ballade is een zeer oude muziekvorm waarvan de oorsprong ligt in de Spaanse Gouden Eeuw, gezongen en gespeeld door Afro-Spaanse troubadours op gitaar, cajon en pantera.
Zowel de guajeo’s als de arpeggio’in de son gespeeld door de tres, zijn afkomstig van de Afrikaanse hand en duimpiano, sanza of chisanji in Cuba gecreoliseerd tot changuí, waar ze veelvuldig gebruikt worden